En zie: op een middag van het voorbije jaar verscheen er een reiger boven mij, verheven op een gebouw. Zijn vleugels waren wijd gespreid, zijn roep klonk als een bazuin uit de hemel.
Niet zomaar een vogel was het, maar een gestalte van stilte en wijsheid — een teken dat sprak zonder woorden. Hij stond daar als wachter, als boodschapper, als herinnering aan dat wat diep in mij verborgen lag.
Zijn poten waren als zuilen van geduld, zijn vleugels als een mantel van bescherming. In zijn veren lag een verhaal: elke veer een druppel van de rivier, elke lijn een stroom van tijd. En de vijf veren op zijn kruin waren tekens van de vijf richtingen van de ziel: omhoog naar de hemel, omlaag naar de aarde, vooruit naar de toekomst, terug naar het verleden, en naar binnen — naar het hart van mijzelf.
De wolken achter hem waren geen decor, maar een labyrint van gedachten. Daarin bewoog hij als gids, een stille wachter die mij toonde dat zelfs in chaos een verborgen ritme leeft.
Zo stond hij daar, boven mij, niet als roofvogel maar als boodschapper. En zijn aanwezigheid sprak: “Blijf staan, wees stil, en ontdek hoe hoog je geest kan reiken.”
