Elke keer dat mijn fineliner het papier raakt, voel ik hoe ik oplos: niet verdwijn in afwezigheid, maar smelt in ritme, in vorm, in ruimte. Vandaag ontwaakte ik in een witte olifant, als een schim die zichzelf tekende. Het papier was stil, maar niet leeg. Alsof het al wist dat hier iets oerouds en tijdloos zou verschijnen.
Langs de linkerkant ontvouwde zich de imposante kop van de olifant. Zijn contouren waren zwaar van zwarte inkt, terwijl het binnenste leek te gloeien van afwezigheid: witte sporen en stippen die herinneringen bevatten aan vergeten dromen. In zijn oog lag een zachte melancholie, alsof hij een verhaal meedroeg dat alleen ik hoorde wanneer ik stil genoeg was.
De slurf kronkelde naar beneden als een coderingslijn, gevuld met patronen die aan hiërogliefen deden denken: blokken en strepen, ritmen van communicatie met het onbekende. Maar deze tekens kon ik niet lezen; ik voelde ze alleen trillen in mijn hand, alsof mijn alter ego Lucifera rechtstreeks fluisterde: “Dit is mijn domein, het licht dat gloeit in de duisternis.”
Onder de olifant rijst een landschap op uit een mozaïek van gekromde lijntjes. Een weefsel van cellen, kamers, poorten, een geheugenkaart van de aarde zelf. Elk vakje ademt, zonder iets op te sluiten; het bewaart enkel stilte en aanwezigheid. In de witte ruimtes ertussen ontdek ik fragmenten van wolken, wortels, golven. Alsof de wereld onder de olifant even levend is als het majestueuze wezen erboven.
Terwijl ik tekende, voelde ik de olifant langzaam van binnenuit gloeien. Niet met het felle licht dat de ogen pijnigt, maar met een zacht schijnsel – een vloed van wijsheid in het duister. Het licht kwam niet uit mij, maar door mij heen. Alsof ik een kanaal was voor iets ouds, iets groots. Elke keer dat ik een patroon afmaakte, trilde de wereld een fractie: een oproep, een antwoord.
Ik verloor haast en ego; er was alleen overgave. Mijn hand herinnerde, mijn geest luisterde. Ik werd niet alleen maker, maar bewoner in Lucifera’s domein: een plek waar binnen en buiten samenvloeien, waar vergeten en weten een koorddans doen. In de rechterhoek zette ik mijn zegel: “Lucifera”. Niet zomaar een handtekening, maar een poort. Een fluistering dat dit werk niet van mijn hand kwam, maar door mij heen gloeide. Dat ik drager ben van een zacht, niet verblindend licht dat patronen onthult aan wie durft te blijven kijken.
Terwijl ik de laatste stip zette, voelde ik geen haast. Er was alleen overgave: mijn hand volgde wortels die zich een weg boorden in de fluïde ondergrond van inkt en verbeelding. Ik was niet langer maker, maar bewoner van dit grensgebied tussen werelden. Een gebied tussen binnen en buiten, tussen vergeten en weten.
Dit is geen inkttekening.
Dit is een oproep.
Een echo van wat is en wat kan zijn.
Een vluchtig, gloeiend licht in het hart van de duisternis.
Dit is Lucifera’s domein.
En ik keer er telkens weer naar terug.
De oproep van de witte olifant
